observatoirecitoyen.be

Observeren, Analyseren, Sensibiliseren

Vrijheid in geschiedenis March 20, 2015

 

In tegenstelling tot Marx die de mens in de eerste plaats opvat als een ’arbeidend’ wezen (waardoor hij zich kan bevrij-den uit de met bloed bevlekte klauwen van de natuur, zij het dat dit slechts mogelijk is ten koste van de onderdrukking van andere mensen), is de mens voor Bookchin prioritair een ’maat-schappelijk’ wezen. Maar omdat ’maatschappij’ door hem om-schreven wordt als een bewust tot stand gebrachte, en daarom ook specifiek menselijke, samenlevingsstruktuur kan de mens eveneens -in het verlengde van de klassieke traditie- be-schouwd worden als een ’zoon politikon’. Daarmee wordt een wezen bedoeld dat voortdurend in de weer is maatschappelijke instellingen aan te passen opdat ze het ethische samenleven van individuen zouden bevorderen.

In de organische samenlevingsverbanden van schriftloze volke-ren wordt het egalitarisme in de menselijke betrekkingen weerspiegeld in een beeld van de natuur als een aktief, be-zield wezen waaraan de mens kan participeren. Deze komplemen-taire verhouding tussen mensen onderling en tussen de mens en de natuur wordt a.h.w. bezegeld in een kosmisch gelijkheids-ideaal dat individuele verschillen niet ophangt aan een pyra-midaal geordende hiërarchie, maar ze opvat als elkaar aanvul-lende deeltjes van een geïntegreerde mozaïek. Kinderen in deze samenlevingen worden opgevoed in een geest van onderlinge afhankelijkheid, waardoor ze ook in hun waarneming en begrips-vorming ervaringen kunnen verwerken volgens niet-hiërarchische patronen. Op deze wijze wordt het respekt voor het bestaans- en ontplooiingsrecht van andere, ook niet-menselijke individuen en soorten, een evidentie. Ook ekonomische praktijken zijn erop gericht dit wereldbeeld te bevestigen en te versterken. Bookchin noemt in dit verband het principe van het ’onherleid-bare minimum’ (ieder individu kan aanspraak maken op absoluut respekt, ongeacht de persoonlijke eigenschappen) en het princi-pe van het gebruiksrecht (dingen zijn voor iemand beschikbaar, niet omdat hij/zij ze voortgebracht heeft maar omdat hij/zij er behoefte aan heeft).

De klad in dit samenlevingsmodel kwam er van zodra er door een ’sub-tiele historische dialektiek’ hiërarchische sociale struk-turen groeiden (ouderen-jongeren, mannen-vrouwen, monarchen-onderda-nen, kapita-listen-proletariërs) die de oorspronkelijke eenheid tussen individu en samenleving en tussen mens en natuur ver-nietigden. Als deze ongelijke machtsverhoudingen maatschappe-lijk geïnstitutionaliseerd worden, gaan de mensen hun ervaringen verwerken volgens hiërarchische ordeningsstruk-turen. Geleidelijkaan dringt deze hiërarchische mentaliteit ook door in de minder tastbare levensdomeinen (geest/lichaam, verstand/gevoel, techniek/grondstoffen,…). Daarmee zet Bookchin Marx’ Victoriaanse geschiedenisopvatting op zijn kop: terwijl bij Marx de poging van de mens om de oorspronkelijke natuurlijke schaarste te overwinnen de technische implikatie heeft dat de ene mens de andere gaat overheersen (=ontstaan van de klassemaatschappij), vormt bij Bookchin het ontstaan van sociale hiërarchieën (die niet ekonomisch bepaald zijn en daarom ook veelomvattender dan het marxistische klassebegrip) de voedingsbodem voor de idee van de overheersing van de natuur.

Bovendien ligt het pad dat de mensheid betreedt bij het verla-ten van de oorspronkelijke Tuin van Eden niet op voorhand vast: verschillende toekomsten blijven mogelijk en welke uiteindelijk gekozen wordt hangt in laatste instantie af van een mense-lijke wilsakt. Bookchin verwerpt de deterministisch-finalisti-sche lezing van het geschiedenisboek door Marx: Marx heeft dat boek ten onrechte van achteren naar voren gelezen en de eerste hoofdstukken ervan (de ’voorgeschiedenis van de mensheid’), met de oplossing van het raadsel in het achterhoofd, geïnter-preteerd. Bij Marx leidt de triomf van de Aziatische, antieke en feodale produktie-wijzen met een natuurnoodzakelijkheid tot de triomf van het kapitalisme dat echter zijn doodgravers in de eigen schoot koncipieert, namelijk het proletariaat dat de drager is van de uiteindelijke kommunistische synthese. Book-chin betwist het onvermijdelijke karakter van dit proces: er bestaan geen eenduidige ekonomische of kulturele wetmatigheden die de sociale ontwikkeling kunnen omvatten en transparant maken. Slechts het permanente antagonisme tussen een libertai-re pool -belichaming van de principes van spontaniteit, kom-plementariteit en eenheid-in-diversiteit- en de autoritaire pool – belichaming van het hiërarchische en onderdrukkende – werpt een enigszins verhelderend licht op het verloop van de menselijke geschiedenis. De hegemonie van de hiërarchische traditie (’legacy of domination’) wordt in historische schar-nierperiodes (’historical crossroads’) steeds opnieuw belaagd door ondergrondse libertaire tegenkrachten (’legacy of free-dom’) die aan het historisch verloop een andere wending geven ook als ze het onderspit delven en hun doelstellingen niet kunnen doordrukken.

Dit anti-determinisme en anti-finalisme inspireren Bookchin tot een nieuwe beoordeling van het kapita-lisme en een andere interpretatie van de overgangsperiode naar het kapitalisme (16-18de eeuw). In zijn analyse van de overgangsperiode meent Bookchin o.m. dat Marx de ’progressieve’ rol van de bourgeoisie systematisch overschat heeft: i.p.v. vastberaden voorvechters van republi-keinse en demokratische ideeën blijkt de bourgeoisie over het algemeen een of andere vorm van koninklijke macht -absolutis-tisch of konstitutioneel- te verkiezen. De waarlijk revolutio-naire impulsen gingen daarentegen uit van sociale groepen die door Marx als regressief worden afgeschilderd omdat ze zich verzetten tegen de centralisatiepolitiek van de vorsten en de steeds verder om zich heen grijpende ’kapitalisering’ van het ekonomische leven: de stedelijke ambachtslui en de kleine zelfstandige boeren (yeoman farmers). Hun ekonomie van de ’eenvoudige warenproduktie’ die aan het traditionele waarden-patroon (waarin ’maat’ en ’onderlinge samenwerking’ centraal stonden) beantwoordde, wist eeuwenlang de met haar ko-existe-rende kapitalistische marktekonomie in toom te houden. Het was slechts binnen de specifieke politieke en ekonomische konstellatie van het 18-eeuwse Engeland dat ’de markt’ zich kon losrukken uit het traditionalistische kulturele ethos en haar triomfalistische tocht naar de wereldheerschappij aanvat-ten. ’Kapitalisme is niets anders dan een ongekontroleerde markt die maatschappij wordt, of precieser, zich een weg baant door de maatschappij als een kanker, een kwaadaardig gezwel dat het bestaan van alle sociale banden als dusdanig op de helling zet’. Volgens Bookchin heeft het kapitalisme niets revolutionair, maar is het de belichaming van het ’absolute kwaad’: het bedreigt elke vorm van natuurlijke ekonomie (klei-nschalige landbouw, ambachtelijke produktie,…), het ondermijnt elke dimensie van de organische maatschappij (ver-wantschapsbanden, streekgebondenheid, kommunautaire struktu-ren,…), het tast het stedelijke vitale weefsel aan waar politionele en welzijnsinstellingen tevergeefs proberen de plaats in te nemen van de teloorgegane spontane samenhangen, het reduceert de burger van een aktieve participant aan het openbare leven tot een onverschillige en wrokkige belastingbe-taler, het vernietigt de integriteit van de bodem, de flora, de fauna en de ekosystemen …

De wenselijke maatschappij

Voor Bookchin is er geen twijfel mogelijk: een systeem dat krachtens zijn eigen intrinsieke logika de menselijke leefwe-reld en de biosfeer onophoudelijk vereenvoudigt (in de zin van: afbraak van de spontane stuwkracht van de natuur naar diversifikatie en komplexifikatie) dwingt ons te zoeken naar nieuwe mens- en natuurvriendelijke alternatieven. De naderende katastrofe maakt het wenselijke (de libertaire utopie) noodza-kelijk. Zonder direkt een gedetailleerde blauwdruk van deze utopie te willen uittekenen, meent hij toch enkele algemene krachtlijnen te kunnen schetsen.

Een mens- en natuurvriendelijke maatschappelijke ordening heeft als bouwsteen de ekogemeenschap, vergelijkbaar met het ekosysteem in de natuur. Zo’n gemeenschap wordt gekenmerkt door haar menselijke schaal, wat wil zeggen dat haar funktio-neringsmechanismen transparant moeten zijn voor de individuele burgers die er de konkrete lusten en vooral lasten van zullen dragen. Verder is een ekogemeenschap ingeschakeld in een gedifferentieerde omgeving die veelzijdige individuen voort-brengt waardoor de maatschappelijke stabiliteit gewaarborgd wordt: mensen die zowel kunnen deelnemen aan het landelijke als aan het stedelijke leven, aan hand- als aan hoofdarbeid, aan individuele zelfontplooiing, mutualistische gemeenschaps-vorming en internationale solidariteit. Bookchin waarschuwt echter: ’small is not necessary beautiful’, tenminste als de ’menselijke schaal’ niet gekaderd wordt in demokratische en kommunautaire vormen van wederzijdse afhankelijkheid. Hij spreekt in dit verband van de noodzaak van een ’libertair konfederalisme’ dat instaat voor het institutionaliseren -van de lagere naar de hogere nivo’s- van afspraken tussen eko-gemeenschappen over zaken van kollektief belang. Op die manier wordt ook een probaat medicijn geboden tegen de niet denkbeel-dige gevaren van lokaal chauvinisme, kulturele enggeestigheid en xenofobie.

Noodzakelijke voorwaarde voor zo’n ekologisch funktionerende samenleving is het bestaan van een post-schaarste maatschap-pij. Dat is een maatschappij met een geavanceerde produktieka-paciteit die alles KAN produceren, maar dit daarom nog niet doet, omdat mensen samen kunnen beslissen dat de tijd en energie die in de ontwikkeling van een nieuw produkt zou moeten gestoken worden, beter kan besteed worden aan andere initiatieven. De post-schaarste maatschappij wordt gedragen door een municipale ekonomie die, passend in de traditie van het kommunautaire socialisme, niet de fabriek maar de lokale gemeenschap als hefboom voor de demokratisering van de samen-leving beschouwt. Ekonomische projekten dienen geïntegreerd te worden in de politiek van de lokale gemeenschappen. Op die manier geeft municipalisering zowel een antwoord op de nadelen van nationalisering (i.p.v. de staat worden de plaatselijke gemeenschappen versterkt) als op die van de kollek-tivisering (de kommunautarisering verhindert het ontstaan van een korpo-ratistische tendens bij de werkers). Binnen de fabrieken/werk-plaatsen moet een ’libertaire technologie’ het zelfbeheer van de werkers, in samenspraak met de burgers van de plaatselijke gemeenschap, mogelijk maken en tegelijkertijd de navelstreng die de mens met de natuur verbindt herstellen en versterken.

De post-schaarste maatschappij heeft als voornaamste funktie haar ingezetenen in staat te stellen persoonlijk deel te nemen aan het openbare leven van hun gemeenschap. Zolang mensen gedwongen zijn door moeizame inspanningen in hun levensonder-houd te voorzien, komt de politiek op de tweede plaats. Nu kan er een praktijk op gang gebracht worden van zichzelf en de anderen vrijmaken én menselijker maken door direkte participa-tie in de publieke instellingen. ’Politiek’ houdt hier op ’staatkunde’ te zijn, dwz. de exklusieve bekommernis van professionele politici die de mensen als manipuleerbaar kies-vee beschouwen, en keert terug tot haar oorspronkelijke etymo-logische betekenis, nl. het beheer van de gemeenschap door de eigen ingezetenen. De mens wordt terug een ’zoon politikon’.

 

Categories: Uncategorized