observatoirecitoyen.be

Observeren, Analyseren, Sensibiliseren

Franz Kafka en het absurde van de bureaucratische staat December 2, 2014

‘Ik haat alle gezag,’ schrijft in september 1915 Franz Kafka aan Felice Bauer. ‘Die haat is niet willekeurig en heeft niets anarchistisch,’ beweert recensent Piet de Moor in de boekenbijlage van De Morgen (27 september 2000). Is dit zo? Dat zij niet willekeurig is, dat wisten wij reeds. Maar: niets anarchistisch…? Drie tijdgenoten getuigen over de sympathie van de Praagse schrijver voor de Tsjechische anarchisten en over zijn aanwezigheid op anarchistische meetings – al nam hij niet deel aan de discussies. Hij las Kropotkin, de gebroeders Reclus, Bakoenin en Jean Grave. Kafka’s interesse voor de libertaire ideeën wordt bevestigd door bepaalde verwijzingen in zijn dagboeken. Doorheen heel zijn oeuvre waait een libertaire wind.

Het spreekt vanzelf dat men het werk van Kafka niet kan reduceren tot een politieke doctrine, welke dit ook moge wezen. Kafka produceert geen discours, maar creëert individuen en situaties, en drukt in zijn werk gevoelens, attitudes uit, een Stimmung. De symbolische wereld van de literatuur valt niet samen met de beredeneerde wereld van de ideologieën: het literaire werk is geen abstract conceptueel systeem, in tegenstelling tot filosofische of politieke doctrines, maar de creatie van een concrete imaginaire wereld van personages en dingen.

Nochtans kan ons dat niet verhinderen om de passages, de doorgangen, de ondergrondse verbindingen te ontginnen tussen zijn antiautoritaire geest, zijn libertaire sensibiliteit, zijn sympathieën voor het anarchisme enerzijds, en zijn belangrijkste geschriften anderzijds. Deze passages openen een bevoorrechte doorgang naar hetgeen wij het inwendige landschap van het werk van Kafka kunnen noemen.

Antiautoritair

Het belang van de anarchistische episode in de biografie van Kafka (1909-1912) levert ons één van de meest verhelderende sleutels tot de lectuur van het werk – en in het bijzonder tot de geschriften vanaf 1912. Ik zeg wel degelijk één van de sleutels, want de charme van dit werk vloeit ook voort uit het buitengewone meerduidige karakter, dat niet terug te brengen is tot een eenzijdige interpretatie. Het libertaire ethos vinden we terug in verschillende situaties die de kern van zijn belangrijkste literaire teksten vormen, maar in de eerste plaats in de radicaal kritische manier waarop het obsederende en angstaanjagende gelaat van de niet-vrijheid uitgedrukt wordt: de autoriteit.

Een antiautoritarisme van libertaire aard doorkruist het geheel van het literaire werk van Kafka, in een beweging van toenemende ‘depersonalisering’ en verdinglijking: van de vaderlijke en eigen autoriteit tot de administratieve en anonieme autoriteit. Nogmaals, het gaat hier niet om een bepaalde politieke doctrine, maar om een geestestoestand en een kritische sensibiliteit – wier belangrijkste wapen de ironie, de humor is, die zwarte humor die volgens André Breton ‘een hogere revolte van de geest’ vormt.

Die houding heeft intieme en persoonlijke wortels in de verhouding tot zijn vader. De despotische autoriteit van de pater familias is voor de schrijver het archetype zelf van de politieke tirannie. In zijn Brief aan de vader (1919) herinnert Kafka zich: ‘In mijn ogen nam u de geheimzinnige vorm aan van de tirannen wier recht niet gebaseerd is op reflectie, maar op hun eigen persoon.’ Als hij ziet hoe brutaal, onrechtvaardig en willekeurig zijn vader zijn bediendes behandelt, voelt hij zich solidair met de slachtoffers: ‘Dat maakte voor mij de winkel ondraaglijk, dat herinnerde me te zeer aan mijn eigen situatie tegenover u… Daarom behoorde ik noodzakelijkerwijze tot de partij van het personeel.’

De belangrijkste eigenschappen van het autoritarisme in de literaire geschriften van Kafka zijn de volgende: a) de willekeur: de beslissingen worden van bovenaf opgelegd, zonder enige morele, rationele of menselijke verklaring, dikwijls via overdreven en absurde eisen; b) de onrechtvaardigheid: de schuld wordt – verkeerdelijk – als vanzelfsprekend beschouwd, als iets evidents, zonder dat daar bewijzen voor nodig zijn, en de straffen staan buiten verhouding tot de ‘fout’ (die niet bestaat of banaal is).

In zijn eerste belangrijke novelle, Het vonnis (1912), beschrijft Kafka enkel de vaderlijke autoriteit; dat is ook een van de zeldzame geschriften waarin de hoofdpersoon (Georg Bendemann) zich volledig en zonder verzet lijkt te onderwerpen aan het autoritaire oordeel: het persoonlijke bevel van de vader aan zijn zoon om in de rivier te springen! Wanneer hij deze novelle vergelijkt met Het proces, dan merkt Milan Kundera op: ‘De gelijkenis tussen de twee beschuldigingen, culpabiliseringen en executies verraadt de continuïteit van het intieme familiale ‘totalitarisme’ met de grote visies van Kafka.’ Zelfs zo zeer dat de twee grote romans (Het proces en Het slot) handelen over een volkomen anonieme en onzichtbare ‘totalitaire’ macht.

Amerika (1913-1914) vormt in dit opzicht een overgangswerk: de autoritaire personages zijn nu eens vaderlijke figuren (de vader van Karl Rossman en Oom Jacob), dan weer hoge bestuurders van het hotel (de personeelschef en het hoofd van de portiers). Maar zelfs deze laatsten behouden een persoonlijk tiranniek aspect, waarbij ze de bureaucratische koelheid verbinden aan een bekrompen en brutaal individueel despotisme. Het symbool van dit straffende autoritarisme duikt op vanaf de eerste bladzijde van het boek: wanneer hij de Amerikaanse democratie, dat vertegenwoordigd wordt door het beroemde Vrijheidsbeeld aan de ingang van de haven van New York, aan de kaak stelt, vervangt Kafka in zijn handen de toorts door een zwaard… In een wereld zonder rechtvaardigheid of vrijheid lijkt de naakte macht, de willekeur, onverbiddelijk te heersen. De sympathie van de hoofdpersoon gaat uit naar de slachtoffers van deze maatschappij: de chauffeur in het eerste hoofdstuk, ‘het lijden van een arme man onder de heersers’, of de moeder van Theresa, die door honger en ellende tot zelfmoord gedreven wordt. Hij vindt vrienden en bondgenoten aan de kant van de armen: Theresa zelf, de student, de bewoners van de volkswijk die hem weigeren uit te leveren aan de politie – omdat, zo schrijft Kafka in een verhelderend commentaar, ‘de arbeiders niet aan de kant van de autoriteiten staan’.

Het Apparaat

Vanuit het standpunt dat we hier innemen vindt de grote ommekeer in het werk van Kafka plaats in de novelle In de strafkolonie, dat kort nà Amerika geschreven werd. Er bestaan weinig teksten in de wereldliteratuur die de autoriteit op zo’n onrechtvaardige en moordzuchtige wijze uitbeelden. Het gaat hier niet om de macht van een individu – de (Oude en Nieuwe) Commandanten spelen slechts een secundaire rol in het verhaal – maar om de macht van een onpersoonlijk mechanisme.

Het decor van het verhaal wordt gevormd door het kolonialisme… van Frankrijk. De officieren en commandanten zijn Fransen, terwijl de eenvoudige soldaten, de havenarbeiders, de slachtoffers die geëxecuteerd moeten worden, ‘inboorlingen’ zijn die ‘geen enkel woord Frans verstaan’. Een ‘inboorling’-soldaat wordt ter dood veroordeeld door officieren wier opvatting over de rechtsspraak in enkele woorden de kern van de willekeur uitdrukt: ‘de schuld mag nooit in twijfel getrokken worden!’ Het vonnis wordt voltrokken door een foltermachine dat heel langzaam het gebod dat de veroordeelde overtreden heeft met een naald in zijn lichaam grift: ‘Eert uw superieuren!’

Het hoofdpersonage van de novelle is noch de reiziger, die de gebeurtenissen met een vijandige stilzwijgendheid waarneemt, noch de gevangene, die nauwelijks reageert, noch de officier, die de executie leidt, noch de Commandant van de kolonie. Het is de Machine zelf.

Heel het verhaal draait rond het sinistere Apparaat dat tijdens de zeer gedetailleerde uitleg van de officier een doel op zich lijkt te zijn. Het Apparaat is er niet om de gevangene te executeren, de gevangene is er veeleer voor het Apparaat, om een lichaam te leveren waarop het zijn esthetisch meesterwerk kan schrijven, zijn bloedige inscriptie doorheen ‘vele bloemlezingen en versiersels’. De officier zelf is slechts een dienaar van de Machine, en uiteindelijk offert hij zichzelf op aan de onverzadigbare Moloch.

Aan welke concrete ‘Machtsmachine’, aan welk mensenverslindend ‘Autoriteitsapparaat’ dacht Kafka? In de strafkolonie werd geschreven in oktober 1914, drie maanden nà het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog…

Lucide

In Het proces en Het slot treffen we opnieuw de autoriteit aan als een hiërarchisch, abstract, onpersoonlijk ‘apparaat’: de bureaucraten, hoe brutaal, willekeurig of gemeen zij ook zijn, zijn slechts de radertjes van dit mechanisme. Zoals Walter Benjamin heel treffend opgemerkt heeft, schrijft Kafka vanuit het standpunt van de ‘moderne burger die zich uitgeleverd weet aan een ondoordringbaar bureaucratisch apparaat dat gecontroleerd wordt door instanties die zelfs onzichtbaar blijven voor de uitvoerende organen, a fortiori voor degenen die zij manipuleren’.

Het werk van Kafka is zowel diep verankerd in zijn Praagse omgeving – zoals André Breton zegt ‘verenigt het alle charmes, alle betovering’ van Praag – en is volkomen universeel. In tegenstelling tot wat dikwijls beweerd wordt vormen zijn twee grote romans geen kritiek van de oude imperiale Austro-Hongaarse staat, maar wel van het staatsapparaat in zijn meest moderne vorm: zijn anoniem, onpersoonlijk karakter als een vervreemdend, ‘verdinglijkt’, autonoom bureaucratisch systeem, dat een doel op zich geworden is.

Een fragment van Het slot is in dit opzicht zeer verhelderend: in dit kleine meesterwerk van de zwarte humor beschrijft de burgemeester van het dorp het officiële apparaat als een autonome machine dat ‘vanzelf’ lijkt te werken: ‘Men zou denken dat het overheidsapparaat niet langer meer de spanning, de irritatie aankan dat het jarenlang verdragen heeft door de fout van dezelfde zaak, dat op zichzelf misschien niet zo erg is, en dat vanuit zichzelf een oordeel uitspreekt zonder beroep te hoeven doen op functionarissen.’ Dit diepe voorgevoel van het bureaucratische mechanisme als blind raderwerk, waarin de verhoudingen tussen de mensen een ding, een onafhankelijk object worden, vormt één van de meest moderne, meest hedendaagse, meest lucide aspecten van het werk van Kafka.

Visionair

De libertaire bezieling treffen we aan in het hart van de romans van Kafka, die ons spreken over de staat – of het nu in de vorm van de ‘administratie’ of in de vorm van het ‘gerecht’ is – als een onpersoonlijk overheersingssysteem dat de individuen verplettert, verstikt of doodt. Het is een beangstigende, ondoordringbare, onbegrijpelijke wereld, waarin de niet-vrijheid heerst. Men heeft dikwijls Het proces voorgesteld als een profetisch werk: de auteur zou met zijn visionaire verbeelding de rechtsspraak van de totalitaire staten, van de nazistische en stalinistische processen voorzien hebben. Bertolt Brecht, die nochtans een ‘compagnon de route’ van de Sovjet-Unie was, merkte in een conversatie met Walter Benjamin in 1934 op (dus zelfs vooraleer de processen van Moskou hadden plaatsgevonden): ‘Kafka kent maar één probleem, dat van de organisatie. Wat hem obsedeert is de angst voor de mierenstaat, de wijze waarop de mensen zichzelf vervreemden door de vorm van hun gemeenschappelijk leven. En hij heeft bepaalde vormen van deze vervreemding voorzien, zoals bijvoorbeeld de methodes van de GPU.’ (De GPU was de geheime politie in het Stalintijdperk, de voorloper van de KGB.)

Zonder de gegrondheid van deze lof op de scherpzinnigheid van de Praagse schrijver in twijfel te willen trekken, wil ik er nochtans aan herinneren dat Kafka in zijn romans geen ‘uitzonderingstoestand’ beschrijft: één van de belangrijkste ideeën – wier verwantschap met het anarchisme vanzelfsprekend is – dat door zijn werk opgeroepen wordt is het vervreemdende en onderdrukkende karakter van de ‘normale’, legale en grondwettelijke staat. Vanaf de eerste regels van Het proces wordt duidelijk gesteld: ‘K. leefde toch in een rechtsstaat, overal heerste vrede, alle wetten werden gehandhaafd, wie durfde hem in zijn woning te overvallen?’ Net zoals zijn vrienden, de Praagse anarchisten, lijkt hij elke staatsvorm, de staat op zich, als een autoritaire en vrijheidsberovende hiërarchie op te vatten.

Functionarissen van de noodzaak

De staat en zijn gerecht zijn ook, door hun diepste wezen, leugensystemen. Niets illustreert dit duidelijker dan de dialoog in Het proces tussen K. en de geestelijke over de interpretatie van de parabel van de bewaker van de wet. Voor de geestelijke betekent ‘twijfelen aan de waardigheid van de bewaker hetzelfde als twijfelen aan de Wet’ – een klassiek argument van alle vertegenwoordigers van de wet. K. werpt op dat als men deze stelregel zou volgen, ‘ men alles zou moeten geloven wat de bewaker zegt’, iets wat hem onmogelijk lijkt te zijn: ‘Neen,’ zegt de geestelijke, ‘men is niet verplicht om alles wat hij zegt voor waar aan te nemen, het volstaat dat men het noodzakelijk acht.’ ‘Een bedroevende opinie,’ zegt K…, ‘zij verheft de leugen tot een regel van de wereld.’

Zoals Hannah Arendt heel juist vaststelt in haar essay over Kafka onthult het vertoog van de geestelijke ‘de geheime theologie van het intieme geloof van de bureaucratie als een geloof in de noodzaak op zich; de bureaucraten zijn in laatste instantie functionarissen van de noodzaak.’

‘Hondse’ onderworpenheid

Ten slotte doen de staat en de rechters minder aan justitiebeleid dan dat zij op jacht gaan naar slachtoffers. In een beeld dat te vergelijken is met dat van de vervanging van de toorts van het Vrijheidsbeeld door een zwaard in Amerika, ziet men in Het proces een doek van de schilder Titorelli dat de Godin van de Rechtvaardigheid voorstelt: wanneer het doek helder verlicht wordt ziet men het veranderen in de Godin van de Jacht. De bureaucratische en rechterlijke hiërarchie bevat een immense organisatie dat volgens Jozef K., het slachtoffer van Het proces, ‘niet enkel omkoopbare bewakers, domme inspecteurs en onderzoeksrechters gebruikt… maar dat nog een hele magistratuur van hoge rang onderhoudt, met zijn onvermijdelijk gevolg van lakeien, klerken, gendarmes en andere bijfiguren, misschien zelf beulen, ik schrik niet terug voor dit woord.’

Met andere woorden: de autoriteit van de staat doodt. Jozef K. zal in het laatste hoofdstuk van het boek de beulen ontmoeten in de figuur van twee functionarissen die hem ter dood brengen – ‘als een hond’.

De ‘hond’ vormt voor Kafka een ethische, zoniet metafysische categorie: zo noemt Kafka iemand die zich gewillig onderwerpt aan de autoriteiten, welke deze ook zijn. De handelaar Block, geknield voor de voeten van de advocaat, is een typisch voorbeeld: ‘Dat was zelfs geen kliënt, dat was de hond van de advocaat. Indien deze hem zou bevelen onder het bed te kruipen en te blaffen alsof hij in een hondenhok zat, dan zou hij dat met genoegen doen.’ De schaamte zou Jozef K. zou (laatste woorden van Het proces): hij zou doodgaan ‘als een hond’, zonder dat hij weerstand bood aan zijn beulen. Dat is ook het geval voor de gevangene van In de strafkolonie, die zelfs geen poging doet te ontsnappen, en die zich gedraagt met een ‘hondse’ onderworpenheid.

De jonge Karl Rossmann in Amerika is het voorbeeld van iemand die probeert – zonder daar ooit in te slagen – zich te verzetten tegen de ‘autoriteiten’. In zijn ogen verworden enkel ‘degenen die zich laten doen’ tot het niveau van de hond. De weigering zich te onderwerpen en te kruipen als een hond is dan ook de eerste stap naar een rechtopstaand leven, naar de vrijheid. Maar de romans van Kafka kennen geen ‘positieve held’ noch toekomstutopie: waar het hen om draait is, op een ironische en luciede wijze, de facies hippocratica (de toestand van ontbinding) van onze tijd aan te tonen.

‘Kafkaiaans’

Het is geen toeval dat het begrip ‘kafkaiaans’ in de omgangstaal opgenomen werd: het verwijst naar een aspect van de maatschappelijke realiteit dat de sociologie of de politieke wetenschappen niet lijken te kennen, maar dat door de libertaire sensibiliteit van Kafka op een prachtige wijze uitgedrukt wordt: de onderdrukkende en absurde aard van de bureaucratische nachtmerrie, de ondoorzichtigheid, het ondoordringbare en onbegrijpelijke karakter van de regels van de staatshiërarchie, zoals die beleefd worden aan de onderkant en de buitenkant – in tegenstelling tot de sociale wetenschappen die zich over het algemeen beperken tot de studie van de bureaucratische machine aan ‘de buitenkant’ of in relatie tot de ‘top’ (de staat, de autoriteiten, de instellingen): zijn ‘functie’ of ‘dysfunctie’, zijn ‘rationele’ of ‘pre-rationele’ aard.

De sociale wetenschappen hebben nog geen begrip voor dit ‘onderdrukkingseffect’ van het verdinglijkte bureaucratische systeem ontwikkeld, iets wat ongetwijfeld één van de meest karakteristieke fenomenen van de moderne maatschappij vormt, en dagelijks ondergaan wordt door miljoenen mannen en vrouwen. Tot het zo ver is zal men deze wezenlijke dimensie van de sociale realiteit blijven benoemen naar het werk van Kafka.

Categories: Uncategorized