observatoirecitoyen.be

Observeren, Analyseren, Sensibiliseren

Kopen onder invloed April 20, 2015

‘U wordt bediend.’
Wanneer ik vanuit mijn geliefde woonbuurt het centrum van Leuven binnenloop, dan duurt het niet lang voor ik door de stroom voetgangers meegezogen word, doorheen de verkeersluwe straten van de binnenstad, en, de voorgeprogrammeerde signalen volgend, in een warenhuis terechtkom en mijn grijpbewegingen naar links en rechts uitvoer, om uiteindelijk aan de kassa mijn betaalkaart boven te halen. Ik heb weer eens mijn burgerplicht volbracht.

Jaarlijks worden miljoenen dollars geïnvesteerd in ‘motivatie-onderzoek’ (*). De bedoeling: het gedrag van de mens uit de straat te bestuderen om hem aan te zetten om dit of dat product te kopen; het onbewuste van de mensen ‘leeg’ te maken; de verschillende persoonlijkheden te catalogeren (de angstigen, de passieven, de wantrouwigen…) en hun verborgen zwakheden op te sporen. Dan komt het moment waarop de psychologische ‘vishaak’ waarin hij moet bijten, ontworpen wordt.

Onderzoek heeft uitgewezen dat, wil een product ongedwongen kunnen verkocht worden, het aan acht criteria moet voldoen: het moet het narcisme van de consument vleien, hem een emotieve veiligheid verlenen, hem verzekeren dat hij het product waardig is, hem in verbinding met de huidige tijd brengen, hem een gevoelen geven van macht, van onsterfelijkheid, van authenticiteit, en tenslotte een gevoelen van creativiteit. Dus allemaal eigenschappen waar het de moderne mens aan ontbreekt.

Uit zulke onderzoeken is een welgekend concept ontsproten: het warenhuis. Een immense keuze, rijen zo ver als je kan zien, een wervelwind van kleuren en licht. Even zovele elementen die de consument tot overgave dwingen, die hem zijn referentiepunten doen verliezen, en die hem uiteindelijk aanzetten tot kopen.

De verleidingsdans van de waren.

In dit opzicht bevindt de klant zich in een rijk dat gelijkt op dat van de sprookjes uit zijn kinderjaren, waarin alles wat hij zich wenste, binnen handbereik lag. Door middel van videocamera’s die het knipperen van de oogleden registreren, hebben onderzoekers aangetoond dat klanten die in een dergelijke ‘wondere’ wereld ondergedompeld worden, zich in een staat bevinden die dicht bij het eerste stadium van de hypnose aanleunt. Het aantal keren dat er met de ogen geknipperd wordt, normaal 32 keer per minuut, vermindert gedurende een bezoek aan een warenhuis met de helft, en hervindt vervolgens zijn gewone ritme – na een duidelijke opflakkering bij de kassa, dat de terugval in de realiteit kenmerkt. Deze schemertoestand waarin de weerstand verzwakt is, bevoordeligt op significante wijze een impulsieve aankoop.

Een begeerde doelgroep van marketingstrategen zijn momenteel de kinderen. Eén van de experten, M. Clyde Miller, legt er het belang van uit: ‘Daar is tijd voor nodig, ja, maar, als ge lang genoeg zaken wilt blijven doen, denk dan eens welke winst dat kan betekenen voor uw firma als ge een miljoen of tien miljoen kinderen kunt conditionneren: op een goeie dag zullen zij volwassen zijn en gedresseerd om uw product te kopen zoals de soldaten gedresseerd worden vooruit te gaan als ze het bevel horen: ‘Voorwaarts, mars!’’

Op dezelfde manier wordt de muziekkeuze in de warenhuizen niet aan het toeval overgelaten. Hier bespeelt men het tempo. Een trage, enigszins nostalgische muziek doet de tred van de klanten vertragen. En hoe langer zij in de winkel blijven, des te meer consumeren zij. In de fastfoodrestaurants daarentegen, waar men zo snel mogelijk wil bedienen, opteert men voor meer ritme. Een kwestie van rendabiliteit…

Het geluid is een krachtige stimulans tot kopen. En wordt dan ook bestudeerd. Zo worden door Christel, een Franse sensorische marketing ingenieur, granen onderzocht. Het openscheuren van het zakje, het gieten van de melk, het roeren in het bord. ‘In die verschillende stadia proberen we het geluid dat de eetlust moet opwekken, te optimaliseren,’ zegt zij. ‘Vanaf het openscheuren van het zakje wordt erop gelet dat alles de zintuigen streelt. De vorm van het graan wordt opnieuw berekend als het niet het juiste gekraak oplevert.’

Ook de tastzin wordt bestudeerd. Men onderzoekt de touch, de hardheid, het kleverige van een product om zijn sensorische identiteitskaart te bepalen. Dat gaat van GSM’s tot de gordijnen van de pashokjes. Vanaf het moment dat een product vrij kan vastgepakt worden, zoals in een warenhuis, wordt de aanraking een bijkomend middel om de klant tot de koop te verleiden.

Dankzij nieuwe technologieën mikken de fabrikanten ook op de reuk. In de nabije toekomst zullen electronische spelletjes de reuk van verschroeide banden verspreiden, of de zwavel van een draak, of het poeder van een geweerschot. Nu al worden artificiële aroma’s van vers fruit gespoten op fruit dat dat niet meer is, of de luxueuze geur van leer over plastieken producten… De laatste nieuwigheid is de geur van nieuw leer, dat het geluk van verkopers van tweedehandswagens verblijdt…

Hoeft het nog gezegd: we leven in de wereld van het spektakel. De schijn wordt ons als realiteit voorgeschoteld.

De koude kus aan de kassa.

Warenhuizen zijn technische installaties, die naar het principe van de lopende band georganiseerd zijn. De lopende band is door de benen vervangen, door de organisatie van het winkelparcours worden zij in de juiste richting geleid. De grijpbewegingen naar links en rechts zijn ergonomisch precies berekend. De ruil en de communicatie die daarmee gepaard gaat, worden tot een koude kus aan de kassa gecomprimeerd. In de ruil van waar tegen geld staat de klant tegenover een volledig geformaliseerd, technisch-bureaucratisch apparaat. Dit loopt van de gerationaliseerde winkelinrichting, over het commerciële bestuursdomein, tot aan de gecomputeriseerde kassaterminal, waarbij de afzonderlijke eenheden door tussengeschakelde dataverwerkende machines bemiddeld worden.

En daar sta ik dan, op een kille winterdag, aan de kassa van het warenhuis, als een zombie mijn beurt afwachtend. Nergens in heel de winkelruimte staan er zoveel mensen zo dicht bij elkaar als hier. Met niets om handen. Zij zijn aan ‘t bekomen van de roes van de verleidingsdans der waren. Niemand die een woord met elkaar wisselt, niemand wiens blik de jouwe opvangt. Het gepiep van de prijsmarker wordt nauwelijks nog opgemerkt. De achtergrondmuziek doet je wegdoezelen. Ik moet onwillekeurig terugdenken aan mijn reis in Afrika, toen ik er voor ‘t eerst een markt bezocht.

‘En dan gebeurt het. Ik kan het niet anders noemen: ik sta op de markt en maak een smak in de tijd, in een andere economie, een ander gedrag. (…) Een duizendkoppige menigte, over kilometers uitgestrekt, gelukkig in zichzelf bewegend, allerlei rassen en kleding, iedereen volstrekt met iets bezig, groepen mannen in wijde mantels met tulbanden, huilende schapen, aartsvaders, vrouwen met kinderen op de rug, gedroogde vissen, gierst, riet, vreemde stenen, modderkleurige sauzen, vruchten, harten, darmen, kruiden. Het duizelt mij letterlijk, maar ik kan niet meer ophouden, verder en verder loop ik erin. (…) Nu begrijp ik de Franse uitdrukking ‘un bain de foule’, ik neem een bad in de menigte, dompel me onder in een manier van leven waarvan de laatste schaduwen al eeuwen geleden uit mijn wereld zijn verdwenen. (…) Nooit in mijn leven heb ik zoveel mooie mensen gezien – de vrouwen lopen als Balinese danseressen, niemand draagt Europese kleren, het zwiert en zwaait en schettert van de kleuren – terwijl ik er nog ben, heb ik al heimwee’ (Cees Nooteboom over de markt in Bamako, Mali).

Een reclameboodschap op de geluidsinstallatie roept me terug tot de realiteit. Leuven, winter 2001. ‘U wordt bediend,’ staat er op een bordje bij de kassa. (James is vervangen door een automaat. Als je op een knop drukt, spuwt hij een pakje sigaretten op de lopende band.)

Ik had bijna gelezen: ‘U wordt geleefd.’

Comments Off
Categories: Uncategorized

Bestaat er nog een revolutionair subjekt? April 2, 2015

Wie zal deze eko-anarchistische utopie verwezenlijken? Book-chin ontkent de sociologische realiteit van de arbeidersklasse niet (hij is er zelf een produkt van!), maar hij deelt geens-zins Marx’ doodgravers-verwachtingen t.a.v. het proletariaat. Zelfs in het ’tijdperk van de revoluties’ werd het voortouw niet geno-men door de klassieke arbeidersklasse maar wel door geproleta-riseerde ambachtslui en van hun land verdreven boeren wier kulturele waarden, sociale achtergrond en werkritme haaks stonden op het nieuwe fabriekssysteem en stedelijk leefmilieu en het was de botsing tussen deze twee werelden die de voe-dingsbodem vormde van hun politiek radikalisme. Het hedendaagse revolutionaire subjekt heeft echter geen klassebasis meer: het is samengesteld uit individuen en groepen die overhoop liggen met de gevestigde instituties, sociale normen, waarden en levensstijl vertonen. Als katalysator van de revoluti-onaire beweging, die elke uiting van machtson-gelijkheid op de korrel neemt, is er volgens Bookchin nood aan een ’welbewuste, goed georganiseerde en programmatisch konsis-tente libertaire beweging’. In het achterhoofd houdend dat elke revolutionaire organisatie, net als om het even welke andere instelling, de neiging vertoont zichzelf onontbeerlijk te maken, moeten libertaire revolutio-nairen streven naar machtsontbinding i.p.v. naar machtsovername (waarbij de eigen organisatie van dit streven niet kan uitgezonderd worden). ’Libertairen’ zijn er zich van bewust dat zij, niet minder dan de andere mensen, belichamingen zijn van het Westerse ego dat, zeker in zijn mannelijke vorm, een ego van toeëigening en manipulatie van externe mensen en dingen is. Bookchin noemt de knooppunten in het netwerk van de revolutionaire beweging dan ook ’affiniteitsgroepen’ waarbinnen relaties gekultiveerd worden die het politiek-funktioneel nivo overstijgen en die een voorafspiegeling zijn van de nagestreefde maatschappelijke bevrijding.

De weg naar de verandering

Veel van het revolutionaire potentieel van de post-68 jaren werd in de tachtiger jaren organisatorisch samengebracht en uitgedrukt door de groene partijen. Omdat deze echter ’revolutionair’ willen zijn zonder in een ongewis avontuur te stappen, gebruikten ze het oude vertrouwde instrument van het parlement als hefboom voor de groene revolutie. Wie echter een historische parallel wil trekken met de lotgevallen van de sociaal-demokratie in het begin van deze eeuw weet dat het parlementaire werk de revolutionaire angel uit om het even welke poli-tieke doktrine verwijdert. Bookchin vreest vooral de professionalise-ring van de politiek waarbij maatschappelijk belangrijke vraagstukken beslecht zullen worden door beroepspolitici in de besloten ruimtes van partijcenakels, de lobby-kanalen van de diverse belangengroepen en het parlementaire halfrond, ver verwijderd van de burger over wiens toekomst nochtans be-slist wordt. Hij gaat daarom op zoek naar een nieuwe ’openbare ruimte’, waarbinnen burgers zich ongedwongen kunnen onderhouden over aangelegenheden van openbaar belang en de funktie van vertegenwoordiger veel gemakkelijker struktureel ondergeschikt gemaakt kan worden aan de besluitvormingsprocedures en de kontrole van de basis. Die nieuwe openbare ruimte ziet Bookchin realiseerbaar in de ’vrije gemeente’, geworteld in de buurtschappen, stadswijken en dorpen. Binnen dat kader pleit hij voor de geleidelijke uitbouw van een duale machtsstruktuur waarin de geïnstitutionaliseerde macht van de basis beetje bij beetje het gezag van de gecentraliseerde en geburokratiseerde nationale staat uitholt en ondermijnt. Daarbij zou gebruik moeten gemaakt worden van de manoeuvreerruimte die geboden wordt door het bestaande wettelijke en institutionele kader. Eens dat het draagvlak en de slagkracht van de beweging voldoende is uitgebouwd kan gedacht worden aan een meer offensieve houding waarbij gestreden wordt voor het in een wettelijk kader gieten van verregaande vormen van basisdemokratie. Bookchins revolutionaire strategie wil een werk van lange adem zijn, waarin revolutionaire oprispingen niet zullen ontbreken, zonder echter van doorslaggevende politiek-militaire betekenis te zijn (’het systeem moet vallen, niet vechten’).

Comments Off
Categories: Uncategorized

Vrijheid in geschiedenis March 20, 2015

 

In tegenstelling tot Marx die de mens in de eerste plaats opvat als een ’arbeidend’ wezen (waardoor hij zich kan bevrij-den uit de met bloed bevlekte klauwen van de natuur, zij het dat dit slechts mogelijk is ten koste van de onderdrukking van andere mensen), is de mens voor Bookchin prioritair een ’maat-schappelijk’ wezen. Maar omdat ’maatschappij’ door hem om-schreven wordt als een bewust tot stand gebrachte, en daarom ook specifiek menselijke, samenlevingsstruktuur kan de mens eveneens -in het verlengde van de klassieke traditie- be-schouwd worden als een ’zoon politikon’. Daarmee wordt een wezen bedoeld dat voortdurend in de weer is maatschappelijke instellingen aan te passen opdat ze het ethische samenleven van individuen zouden bevorderen.

In de organische samenlevingsverbanden van schriftloze volke-ren wordt het egalitarisme in de menselijke betrekkingen weerspiegeld in een beeld van de natuur als een aktief, be-zield wezen waaraan de mens kan participeren. Deze komplemen-taire verhouding tussen mensen onderling en tussen de mens en de natuur wordt a.h.w. bezegeld in een kosmisch gelijkheids-ideaal dat individuele verschillen niet ophangt aan een pyra-midaal geordende hiërarchie, maar ze opvat als elkaar aanvul-lende deeltjes van een geïntegreerde mozaïek. Kinderen in deze samenlevingen worden opgevoed in een geest van onderlinge afhankelijkheid, waardoor ze ook in hun waarneming en begrips-vorming ervaringen kunnen verwerken volgens niet-hiërarchische patronen. Op deze wijze wordt het respekt voor het bestaans- en ontplooiingsrecht van andere, ook niet-menselijke individuen en soorten, een evidentie. Ook ekonomische praktijken zijn erop gericht dit wereldbeeld te bevestigen en te versterken. Bookchin noemt in dit verband het principe van het ’onherleid-bare minimum’ (ieder individu kan aanspraak maken op absoluut respekt, ongeacht de persoonlijke eigenschappen) en het princi-pe van het gebruiksrecht (dingen zijn voor iemand beschikbaar, niet omdat hij/zij ze voortgebracht heeft maar omdat hij/zij er behoefte aan heeft).

De klad in dit samenlevingsmodel kwam er van zodra er door een ’sub-tiele historische dialektiek’ hiërarchische sociale struk-turen groeiden (ouderen-jongeren, mannen-vrouwen, monarchen-onderda-nen, kapita-listen-proletariërs) die de oorspronkelijke eenheid tussen individu en samenleving en tussen mens en natuur ver-nietigden. Als deze ongelijke machtsverhoudingen maatschappe-lijk geïnstitutionaliseerd worden, gaan de mensen hun ervaringen verwerken volgens hiërarchische ordeningsstruk-turen. Geleidelijkaan dringt deze hiërarchische mentaliteit ook door in de minder tastbare levensdomeinen (geest/lichaam, verstand/gevoel, techniek/grondstoffen,…). Daarmee zet Bookchin Marx’ Victoriaanse geschiedenisopvatting op zijn kop: terwijl bij Marx de poging van de mens om de oorspronkelijke natuurlijke schaarste te overwinnen de technische implikatie heeft dat de ene mens de andere gaat overheersen (=ontstaan van de klassemaatschappij), vormt bij Bookchin het ontstaan van sociale hiërarchieën (die niet ekonomisch bepaald zijn en daarom ook veelomvattender dan het marxistische klassebegrip) de voedingsbodem voor de idee van de overheersing van de natuur.

Bovendien ligt het pad dat de mensheid betreedt bij het verla-ten van de oorspronkelijke Tuin van Eden niet op voorhand vast: verschillende toekomsten blijven mogelijk en welke uiteindelijk gekozen wordt hangt in laatste instantie af van een mense-lijke wilsakt. Bookchin verwerpt de deterministisch-finalisti-sche lezing van het geschiedenisboek door Marx: Marx heeft dat boek ten onrechte van achteren naar voren gelezen en de eerste hoofdstukken ervan (de ’voorgeschiedenis van de mensheid’), met de oplossing van het raadsel in het achterhoofd, geïnter-preteerd. Bij Marx leidt de triomf van de Aziatische, antieke en feodale produktie-wijzen met een natuurnoodzakelijkheid tot de triomf van het kapitalisme dat echter zijn doodgravers in de eigen schoot koncipieert, namelijk het proletariaat dat de drager is van de uiteindelijke kommunistische synthese. Book-chin betwist het onvermijdelijke karakter van dit proces: er bestaan geen eenduidige ekonomische of kulturele wetmatigheden die de sociale ontwikkeling kunnen omvatten en transparant maken. Slechts het permanente antagonisme tussen een libertai-re pool -belichaming van de principes van spontaniteit, kom-plementariteit en eenheid-in-diversiteit- en de autoritaire pool – belichaming van het hiërarchische en onderdrukkende – werpt een enigszins verhelderend licht op het verloop van de menselijke geschiedenis. De hegemonie van de hiërarchische traditie (’legacy of domination’) wordt in historische schar-nierperiodes (’historical crossroads’) steeds opnieuw belaagd door ondergrondse libertaire tegenkrachten (’legacy of free-dom’) die aan het historisch verloop een andere wending geven ook als ze het onderspit delven en hun doelstellingen niet kunnen doordrukken.

Dit anti-determinisme en anti-finalisme inspireren Bookchin tot een nieuwe beoordeling van het kapita-lisme en een andere interpretatie van de overgangsperiode naar het kapitalisme (16-18de eeuw). In zijn analyse van de overgangsperiode meent Bookchin o.m. dat Marx de ’progressieve’ rol van de bourgeoisie systematisch overschat heeft: i.p.v. vastberaden voorvechters van republi-keinse en demokratische ideeën blijkt de bourgeoisie over het algemeen een of andere vorm van koninklijke macht -absolutis-tisch of konstitutioneel- te verkiezen. De waarlijk revolutio-naire impulsen gingen daarentegen uit van sociale groepen die door Marx als regressief worden afgeschilderd omdat ze zich verzetten tegen de centralisatiepolitiek van de vorsten en de steeds verder om zich heen grijpende ’kapitalisering’ van het ekonomische leven: de stedelijke ambachtslui en de kleine zelfstandige boeren (yeoman farmers). Hun ekonomie van de ’eenvoudige warenproduktie’ die aan het traditionele waarden-patroon (waarin ’maat’ en ’onderlinge samenwerking’ centraal stonden) beantwoordde, wist eeuwenlang de met haar ko-existe-rende kapitalistische marktekonomie in toom te houden. Het was slechts binnen de specifieke politieke en ekonomische konstellatie van het 18-eeuwse Engeland dat ’de markt’ zich kon losrukken uit het traditionalistische kulturele ethos en haar triomfalistische tocht naar de wereldheerschappij aanvat-ten. ’Kapitalisme is niets anders dan een ongekontroleerde markt die maatschappij wordt, of precieser, zich een weg baant door de maatschappij als een kanker, een kwaadaardig gezwel dat het bestaan van alle sociale banden als dusdanig op de helling zet’. Volgens Bookchin heeft het kapitalisme niets revolutionair, maar is het de belichaming van het ’absolute kwaad’: het bedreigt elke vorm van natuurlijke ekonomie (klei-nschalige landbouw, ambachtelijke produktie,…), het ondermijnt elke dimensie van de organische maatschappij (ver-wantschapsbanden, streekgebondenheid, kommunautaire struktu-ren,…), het tast het stedelijke vitale weefsel aan waar politionele en welzijnsinstellingen tevergeefs proberen de plaats in te nemen van de teloorgegane spontane samenhangen, het reduceert de burger van een aktieve participant aan het openbare leven tot een onverschillige en wrokkige belastingbe-taler, het vernietigt de integriteit van de bodem, de flora, de fauna en de ekosystemen …

De wenselijke maatschappij

Voor Bookchin is er geen twijfel mogelijk: een systeem dat krachtens zijn eigen intrinsieke logika de menselijke leefwe-reld en de biosfeer onophoudelijk vereenvoudigt (in de zin van: afbraak van de spontane stuwkracht van de natuur naar diversifikatie en komplexifikatie) dwingt ons te zoeken naar nieuwe mens- en natuurvriendelijke alternatieven. De naderende katastrofe maakt het wenselijke (de libertaire utopie) noodza-kelijk. Zonder direkt een gedetailleerde blauwdruk van deze utopie te willen uittekenen, meent hij toch enkele algemene krachtlijnen te kunnen schetsen.

Een mens- en natuurvriendelijke maatschappelijke ordening heeft als bouwsteen de ekogemeenschap, vergelijkbaar met het ekosysteem in de natuur. Zo’n gemeenschap wordt gekenmerkt door haar menselijke schaal, wat wil zeggen dat haar funktio-neringsmechanismen transparant moeten zijn voor de individuele burgers die er de konkrete lusten en vooral lasten van zullen dragen. Verder is een ekogemeenschap ingeschakeld in een gedifferentieerde omgeving die veelzijdige individuen voort-brengt waardoor de maatschappelijke stabiliteit gewaarborgd wordt: mensen die zowel kunnen deelnemen aan het landelijke als aan het stedelijke leven, aan hand- als aan hoofdarbeid, aan individuele zelfontplooiing, mutualistische gemeenschaps-vorming en internationale solidariteit. Bookchin waarschuwt echter: ’small is not necessary beautiful’, tenminste als de ’menselijke schaal’ niet gekaderd wordt in demokratische en kommunautaire vormen van wederzijdse afhankelijkheid. Hij spreekt in dit verband van de noodzaak van een ’libertair konfederalisme’ dat instaat voor het institutionaliseren -van de lagere naar de hogere nivo’s- van afspraken tussen eko-gemeenschappen over zaken van kollektief belang. Op die manier wordt ook een probaat medicijn geboden tegen de niet denkbeel-dige gevaren van lokaal chauvinisme, kulturele enggeestigheid en xenofobie.

Noodzakelijke voorwaarde voor zo’n ekologisch funktionerende samenleving is het bestaan van een post-schaarste maatschap-pij. Dat is een maatschappij met een geavanceerde produktieka-paciteit die alles KAN produceren, maar dit daarom nog niet doet, omdat mensen samen kunnen beslissen dat de tijd en energie die in de ontwikkeling van een nieuw produkt zou moeten gestoken worden, beter kan besteed worden aan andere initiatieven. De post-schaarste maatschappij wordt gedragen door een municipale ekonomie die, passend in de traditie van het kommunautaire socialisme, niet de fabriek maar de lokale gemeenschap als hefboom voor de demokratisering van de samen-leving beschouwt. Ekonomische projekten dienen geïntegreerd te worden in de politiek van de lokale gemeenschappen. Op die manier geeft municipalisering zowel een antwoord op de nadelen van nationalisering (i.p.v. de staat worden de plaatselijke gemeenschappen versterkt) als op die van de kollek-tivisering (de kommunautarisering verhindert het ontstaan van een korpo-ratistische tendens bij de werkers). Binnen de fabrieken/werk-plaatsen moet een ’libertaire technologie’ het zelfbeheer van de werkers, in samenspraak met de burgers van de plaatselijke gemeenschap, mogelijk maken en tegelijkertijd de navelstreng die de mens met de natuur verbindt herstellen en versterken.

De post-schaarste maatschappij heeft als voornaamste funktie haar ingezetenen in staat te stellen persoonlijk deel te nemen aan het openbare leven van hun gemeenschap. Zolang mensen gedwongen zijn door moeizame inspanningen in hun levensonder-houd te voorzien, komt de politiek op de tweede plaats. Nu kan er een praktijk op gang gebracht worden van zichzelf en de anderen vrijmaken én menselijker maken door direkte participa-tie in de publieke instellingen. ’Politiek’ houdt hier op ’staatkunde’ te zijn, dwz. de exklusieve bekommernis van professionele politici die de mensen als manipuleerbaar kies-vee beschouwen, en keert terug tot haar oorspronkelijke etymo-logische betekenis, nl. het beheer van de gemeenschap door de eigen ingezetenen. De mens wordt terug een ’zoon politikon’.

 

Comments Off
Categories: Uncategorized

Murray Bookchin: Naar een libertaire eco-gemeenschap December 28, 2014

Murray Bookchin werd door een bekende Amerikaanse eko-historikus omschreven als ’de veteraan uit de loopgraven van de radikale Amerikaanse milieutheorie’.

In het Nederlandse taalgebied is Bookchin echter nauwelijks bekend: van het dozijn boeken van zijn hand verscheen er tot nog toe geen enkel in Nederlandse vertaling. Alleen het gedegen maar weinig gelezen tijdschrift De As brengt regelmatig vertalingen van zijn belangrijkste essays. Hoe valt deze relatieve onbekendheid te verklaren? Een korte blik op Bookchins geëngageerde loopbaan licht een tip van de sluier. Hij wordt in 1921 in de New Yorkse Bronx geboren als telg uit een politiek bewuste joods-Russische immigrantenfamilie. Reeds op heel jeugdige leeftijd wordt hij lid van de kommunistische jeugdorganisatie waarmee hij echter breekt uit onvrede met de Stalinistische machinaties tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Zijn kontakten met Duitse politieke vluchtelin-gen en de integratie van de Amerikaanse arbeidersklasse in het kapitalistische marktsysteem, knagen steeds verder zijn marxistische overtuiging aan. Lektuur van progressieve maar niet-marxistische auteurs als Albert Camus, Martin Buber en Herbert Read en zijn heropgenomen studie van de ekologie effenen voor hem het pad naar het libertaire socialisme (een socialisme dat een minimale staatsstruktuur noodzakelijk acht, maar anderzijds de anarchistische opvatting deelt dat mensen spontaan geneigd zijn hun gemeenschappelijke belangen te behartigen door zich op vrijwillige basis met elkaar te verenigen). In het midden van de zestiger jaren verwerft Bookchin zijn eerste nationale bekendheid als woordvoerder van de anarchistische fraktie binnen de overkoepelende Amerikaanse studentenorganisatie SDS waar hij -tevergeefs overigens- de jongerenkontestatie voor de marxistisch-leninistische dogmatisering poogt te behoeden. In de jaren dus dat een enorm gesimplifieerd, archaïsch en aktionistisch marxisme de Amerikaanse (en Europese) universiteiten begint te overspoelen pleit Bookchin voor een eerherstel van de libertaire gedachte (die in het midden van de 19de eeuw belichaamd werd in de persoon van Michael Bakoenin, tijdgenoot en ideologisch tegenstrever van Karl Marx). Zulk een poging was niet van aard om door dogmatisch verblinde geesten entoesiast onthaald te worden.

Anderzijds zit Bookchin niet verlegen om radikale standpunten te verkondigen in materies die als hete maatschappelijke hangijzers plegen omschreven te worden. Niet bepaald een manier van optreden die erg geliefd is bij leden van het akademisch establishment dat er prioritair om bekommerd is de subsidiekraan lopende te houden. Zo neemt hij reeds in 1962 (in een boek met de titel ’Our synthetic Environment’) de nog prille konsumptiemaatschappij op de korrel met verwijzing naar de alarmerende toename van een aantal beschavingsziekten (kanker, hart, longen,…), de sterk verminderde kwaliteit van het geproduceerde voedsel, de schadelijke effekten van nukleaire straling, enz. In het slothoofdstuk pleit hij voor een ontmanteling van de onbeheersbaar geworden grootschalige strukturen en een eerherstel van de Atheense polis of de Renaissancistische stadstaat waarvan de bewoners nooit ver van het bebouwde land en de natuur verwijderd waren.

Tenslotte poogde Bookchin zijn maatschappelijk engagement steeds opnieuw in konkrete organisatiemodellen te gieten. Zo lag hij enkele jaren geleden nog aan de basis van de oprich-ting van het Left Green Network, een linkse tendensgroep binnen de Green Party-USA, die ijvert (in analogie met de ondertussen van het poli-tieke toneel verdwenen Duitse funda-mentalistische ’Grünen’) voor een basisgerichte ’anti-partij partij’ en tegen de ’rea-listische’ verleiding van de groene partij om zich als een klassieke ’derde macht’ (tussen demo-kraten en republikeinen) te profileren. Inhoudelijk verwerpt de tendensgroep het platte milieu-reformisme (dat meent een groene maatschappij te kunnen totstandbrengen door wat markt-bijsturing gekombineerd met nieuwe milieutechnologieën) en de in de angelsaksische wereld sterk ontwik-kelde neiging tot ’ekologisch mysticisme’(dat bewustzijnsverruiming -en verdie-ping als prioritaire voorwaar-de ziet om paal en perk te stel-len aan de ekologische teloor-gang van de Aarde). Bookchin schuwt dus geen recht-voor-de-raapse politieke stellingnamen ook als deze een niet gering aantal spraakmakers van de alter-na-tieve scène voor het hoofd stoten.

Een ander natuurbeeld

Volgens Bookchin bevinden we ons temidden van een katastrofale ekologische en maatschappelijke krisis die zowel het voortbe-staan van de mensheid als van andere, geavanceerde levensvor-men op het spel zet. Als hoofdschuldige wijst hij de ’konkur-rentiële marktgeest’ aan die alles en iedereen tot handelsob-jekten verlaagt. Tegelijkertijd richt hij echter een beschul-digende vinger naar de alomaanwezige onderhuidse ’overheer-singsmentaliteit’ die eeuwenlang gekultiveerd werd om de onderdrukking van mens én natuur te rechtvaardigen. Hoeksteen van deze ingesteldheid is de voorstelling van de natuur als zijnde ’blind’, ’vrekkig’, ’wreed’, kortom de natuur als ’sfeer van de noodzaak’ die haaks staat op het menselijk streven naar vrijheid en zelfverwezenlijking. In zijn relatie met de natuur ziet de mens zich dus gekonfronteerd met een vijandige ’andersheid’ die hij alleen de baas kan via ’list & harde labeur’. Marx kan in dit opzicht beschouwd worden als een typische representant van het moderne denken: ook hij vat de natuur op als een vijandige sfeer waaruit de mens zich dankzij zijn arbeid en technisch instrumentarium kan losrukken (=fase van het primitieve kommunisme); dit gaat echter ten koste van het ontstaan van produktieverhoudingen die onder-drukking en uitbuiting veroorzaken (de kapitalistische produk-tieverhoudingen vormen daarin de laatste fase); de door het kapitalisme ontwikkelde produktiekrachten liggen aan de basis van een materiële overvloed die een geavanceerd kommunisme (waarin de uitbuiting van de ene mens door de andere en de overheersing van de mens door de natuur definitief uitgebannen zijn) mogelijk maken. Onderdrukkende verhoudingen tussen mensen kunnen op die manier uitgelegd worden als een techni-sche vereiste om de mensheid los te rukken uit het juk van de natuurlijke noodzaak.

Bookchin benadrukt de noodwendigheid van een ander natuur-beeld, nl. de natuur ’als een differentiërend proces waarin toenemend komplexe organismen opkomen uit relatief eenvoudi-ge – een proces waarin het leven, globaal genomen, steeds komplexer wordt, neurologisch soepelder en meer gedifferen-tieerd (…)’. In de natuur is er een immanente stuwkracht, een latente ontwikkelingslogika of dialektiek aanwezig die de materie stuurt in de richting van differentiatie en komplexi-fikatie. Menselijke wezens vormen een geavanceerd stadium in dit natuurlijke continuum waarin ook de anorganische materie en de flora en fauna hun plaats hebben. Maar de natuur heeft de mensheid ook uitgerust met vermogens die haar in staat stellen diepgaand in te grijpen in de natuur en deze doelbe-wust te veranderen: de mens is ’van’ de natuur maar hij kan zich ook ’tegenover’ haar plaatsen. Bookchin omschrijft de mensheid als een ’tweede natuur’ om zowel de wezensverwant-schap als het kwalitatieve onderscheid met de pre-menselijke natuur (de ’eerste natuur’) in de verf te zetten. Hij pleit voor de ontwikkeling van een dialektische rationaliteit en een ethiek van de komplementariteit die juist de menselijke sensi-biliteit voor dit samengaan van identiteit/onderscheid moeten aanscherpen.

Comments Off
Categories: Uncategorized

Franz Kafka en het absurde van de bureaucratische staat December 2, 2014

‘Ik haat alle gezag,’ schrijft in september 1915 Franz Kafka aan Felice Bauer. ‘Die haat is niet willekeurig en heeft niets anarchistisch,’ beweert recensent Piet de Moor in de boekenbijlage van De Morgen (27 september 2000). Is dit zo? Dat zij niet willekeurig is, dat wisten wij reeds. Maar: niets anarchistisch…? Drie tijdgenoten getuigen over de sympathie van de Praagse schrijver voor de Tsjechische anarchisten en over zijn aanwezigheid op anarchistische meetings – al nam hij niet deel aan de discussies. Hij las Kropotkin, de gebroeders Reclus, Bakoenin en Jean Grave. Kafka’s interesse voor de libertaire ideeën wordt bevestigd door bepaalde verwijzingen in zijn dagboeken. Doorheen heel zijn oeuvre waait een libertaire wind.

Het spreekt vanzelf dat men het werk van Kafka niet kan reduceren tot een politieke doctrine, welke dit ook moge wezen. Kafka produceert geen discours, maar creëert individuen en situaties, en drukt in zijn werk gevoelens, attitudes uit, een Stimmung. De symbolische wereld van de literatuur valt niet samen met de beredeneerde wereld van de ideologieën: het literaire werk is geen abstract conceptueel systeem, in tegenstelling tot filosofische of politieke doctrines, maar de creatie van een concrete imaginaire wereld van personages en dingen.

Nochtans kan ons dat niet verhinderen om de passages, de doorgangen, de ondergrondse verbindingen te ontginnen tussen zijn antiautoritaire geest, zijn libertaire sensibiliteit, zijn sympathieën voor het anarchisme enerzijds, en zijn belangrijkste geschriften anderzijds. Deze passages openen een bevoorrechte doorgang naar hetgeen wij het inwendige landschap van het werk van Kafka kunnen noemen.

Antiautoritair

Het belang van de anarchistische episode in de biografie van Kafka (1909-1912) levert ons één van de meest verhelderende sleutels tot de lectuur van het werk – en in het bijzonder tot de geschriften vanaf 1912. Ik zeg wel degelijk één van de sleutels, want de charme van dit werk vloeit ook voort uit het buitengewone meerduidige karakter, dat niet terug te brengen is tot een eenzijdige interpretatie. Het libertaire ethos vinden we terug in verschillende situaties die de kern van zijn belangrijkste literaire teksten vormen, maar in de eerste plaats in de radicaal kritische manier waarop het obsederende en angstaanjagende gelaat van de niet-vrijheid uitgedrukt wordt: de autoriteit.

Een antiautoritarisme van libertaire aard doorkruist het geheel van het literaire werk van Kafka, in een beweging van toenemende ‘depersonalisering’ en verdinglijking: van de vaderlijke en eigen autoriteit tot de administratieve en anonieme autoriteit. Nogmaals, het gaat hier niet om een bepaalde politieke doctrine, maar om een geestestoestand en een kritische sensibiliteit – wier belangrijkste wapen de ironie, de humor is, die zwarte humor die volgens André Breton ‘een hogere revolte van de geest’ vormt.

Die houding heeft intieme en persoonlijke wortels in de verhouding tot zijn vader. De despotische autoriteit van de pater familias is voor de schrijver het archetype zelf van de politieke tirannie. In zijn Brief aan de vader (1919) herinnert Kafka zich: ‘In mijn ogen nam u de geheimzinnige vorm aan van de tirannen wier recht niet gebaseerd is op reflectie, maar op hun eigen persoon.’ Als hij ziet hoe brutaal, onrechtvaardig en willekeurig zijn vader zijn bediendes behandelt, voelt hij zich solidair met de slachtoffers: ‘Dat maakte voor mij de winkel ondraaglijk, dat herinnerde me te zeer aan mijn eigen situatie tegenover u… Daarom behoorde ik noodzakelijkerwijze tot de partij van het personeel.’

De belangrijkste eigenschappen van het autoritarisme in de literaire geschriften van Kafka zijn de volgende: a) de willekeur: de beslissingen worden van bovenaf opgelegd, zonder enige morele, rationele of menselijke verklaring, dikwijls via overdreven en absurde eisen; b) de onrechtvaardigheid: de schuld wordt – verkeerdelijk – als vanzelfsprekend beschouwd, als iets evidents, zonder dat daar bewijzen voor nodig zijn, en de straffen staan buiten verhouding tot de ‘fout’ (die niet bestaat of banaal is).

In zijn eerste belangrijke novelle, Het vonnis (1912), beschrijft Kafka enkel de vaderlijke autoriteit; dat is ook een van de zeldzame geschriften waarin de hoofdpersoon (Georg Bendemann) zich volledig en zonder verzet lijkt te onderwerpen aan het autoritaire oordeel: het persoonlijke bevel van de vader aan zijn zoon om in de rivier te springen! Wanneer hij deze novelle vergelijkt met Het proces, dan merkt Milan Kundera op: ‘De gelijkenis tussen de twee beschuldigingen, culpabiliseringen en executies verraadt de continuïteit van het intieme familiale ‘totalitarisme’ met de grote visies van Kafka.’ Zelfs zo zeer dat de twee grote romans (Het proces en Het slot) handelen over een volkomen anonieme en onzichtbare ‘totalitaire’ macht.

Amerika (1913-1914) vormt in dit opzicht een overgangswerk: de autoritaire personages zijn nu eens vaderlijke figuren (de vader van Karl Rossman en Oom Jacob), dan weer hoge bestuurders van het hotel (de personeelschef en het hoofd van de portiers). Maar zelfs deze laatsten behouden een persoonlijk tiranniek aspect, waarbij ze de bureaucratische koelheid verbinden aan een bekrompen en brutaal individueel despotisme. Het symbool van dit straffende autoritarisme duikt op vanaf de eerste bladzijde van het boek: wanneer hij de Amerikaanse democratie, dat vertegenwoordigd wordt door het beroemde Vrijheidsbeeld aan de ingang van de haven van New York, aan de kaak stelt, vervangt Kafka in zijn handen de toorts door een zwaard… In een wereld zonder rechtvaardigheid of vrijheid lijkt de naakte macht, de willekeur, onverbiddelijk te heersen. De sympathie van de hoofdpersoon gaat uit naar de slachtoffers van deze maatschappij: de chauffeur in het eerste hoofdstuk, ‘het lijden van een arme man onder de heersers’, of de moeder van Theresa, die door honger en ellende tot zelfmoord gedreven wordt. Hij vindt vrienden en bondgenoten aan de kant van de armen: Theresa zelf, de student, de bewoners van de volkswijk die hem weigeren uit te leveren aan de politie – omdat, zo schrijft Kafka in een verhelderend commentaar, ‘de arbeiders niet aan de kant van de autoriteiten staan’.

Het Apparaat

Vanuit het standpunt dat we hier innemen vindt de grote ommekeer in het werk van Kafka plaats in de novelle In de strafkolonie, dat kort nà Amerika geschreven werd. Er bestaan weinig teksten in de wereldliteratuur die de autoriteit op zo’n onrechtvaardige en moordzuchtige wijze uitbeelden. Het gaat hier niet om de macht van een individu – de (Oude en Nieuwe) Commandanten spelen slechts een secundaire rol in het verhaal – maar om de macht van een onpersoonlijk mechanisme.

Het decor van het verhaal wordt gevormd door het kolonialisme… van Frankrijk. De officieren en commandanten zijn Fransen, terwijl de eenvoudige soldaten, de havenarbeiders, de slachtoffers die geëxecuteerd moeten worden, ‘inboorlingen’ zijn die ‘geen enkel woord Frans verstaan’. Een ‘inboorling’-soldaat wordt ter dood veroordeeld door officieren wier opvatting over de rechtsspraak in enkele woorden de kern van de willekeur uitdrukt: ‘de schuld mag nooit in twijfel getrokken worden!’ Het vonnis wordt voltrokken door een foltermachine dat heel langzaam het gebod dat de veroordeelde overtreden heeft met een naald in zijn lichaam grift: ‘Eert uw superieuren!’

Het hoofdpersonage van de novelle is noch de reiziger, die de gebeurtenissen met een vijandige stilzwijgendheid waarneemt, noch de gevangene, die nauwelijks reageert, noch de officier, die de executie leidt, noch de Commandant van de kolonie. Het is de Machine zelf.

Heel het verhaal draait rond het sinistere Apparaat dat tijdens de zeer gedetailleerde uitleg van de officier een doel op zich lijkt te zijn. Het Apparaat is er niet om de gevangene te executeren, de gevangene is er veeleer voor het Apparaat, om een lichaam te leveren waarop het zijn esthetisch meesterwerk kan schrijven, zijn bloedige inscriptie doorheen ‘vele bloemlezingen en versiersels’. De officier zelf is slechts een dienaar van de Machine, en uiteindelijk offert hij zichzelf op aan de onverzadigbare Moloch.

Aan welke concrete ‘Machtsmachine’, aan welk mensenverslindend ‘Autoriteitsapparaat’ dacht Kafka? In de strafkolonie werd geschreven in oktober 1914, drie maanden nà het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog…

Lucide

In Het proces en Het slot treffen we opnieuw de autoriteit aan als een hiërarchisch, abstract, onpersoonlijk ‘apparaat’: de bureaucraten, hoe brutaal, willekeurig of gemeen zij ook zijn, zijn slechts de radertjes van dit mechanisme. Zoals Walter Benjamin heel treffend opgemerkt heeft, schrijft Kafka vanuit het standpunt van de ‘moderne burger die zich uitgeleverd weet aan een ondoordringbaar bureaucratisch apparaat dat gecontroleerd wordt door instanties die zelfs onzichtbaar blijven voor de uitvoerende organen, a fortiori voor degenen die zij manipuleren’.

Het werk van Kafka is zowel diep verankerd in zijn Praagse omgeving – zoals André Breton zegt ‘verenigt het alle charmes, alle betovering’ van Praag – en is volkomen universeel. In tegenstelling tot wat dikwijls beweerd wordt vormen zijn twee grote romans geen kritiek van de oude imperiale Austro-Hongaarse staat, maar wel van het staatsapparaat in zijn meest moderne vorm: zijn anoniem, onpersoonlijk karakter als een vervreemdend, ‘verdinglijkt’, autonoom bureaucratisch systeem, dat een doel op zich geworden is.

Een fragment van Het slot is in dit opzicht zeer verhelderend: in dit kleine meesterwerk van de zwarte humor beschrijft de burgemeester van het dorp het officiële apparaat als een autonome machine dat ‘vanzelf’ lijkt te werken: ‘Men zou denken dat het overheidsapparaat niet langer meer de spanning, de irritatie aankan dat het jarenlang verdragen heeft door de fout van dezelfde zaak, dat op zichzelf misschien niet zo erg is, en dat vanuit zichzelf een oordeel uitspreekt zonder beroep te hoeven doen op functionarissen.’ Dit diepe voorgevoel van het bureaucratische mechanisme als blind raderwerk, waarin de verhoudingen tussen de mensen een ding, een onafhankelijk object worden, vormt één van de meest moderne, meest hedendaagse, meest lucide aspecten van het werk van Kafka.

Visionair

De libertaire bezieling treffen we aan in het hart van de romans van Kafka, die ons spreken over de staat – of het nu in de vorm van de ‘administratie’ of in de vorm van het ‘gerecht’ is – als een onpersoonlijk overheersingssysteem dat de individuen verplettert, verstikt of doodt. Het is een beangstigende, ondoordringbare, onbegrijpelijke wereld, waarin de niet-vrijheid heerst. Men heeft dikwijls Het proces voorgesteld als een profetisch werk: de auteur zou met zijn visionaire verbeelding de rechtsspraak van de totalitaire staten, van de nazistische en stalinistische processen voorzien hebben. Bertolt Brecht, die nochtans een ‘compagnon de route’ van de Sovjet-Unie was, merkte in een conversatie met Walter Benjamin in 1934 op (dus zelfs vooraleer de processen van Moskou hadden plaatsgevonden): ‘Kafka kent maar één probleem, dat van de organisatie. Wat hem obsedeert is de angst voor de mierenstaat, de wijze waarop de mensen zichzelf vervreemden door de vorm van hun gemeenschappelijk leven. En hij heeft bepaalde vormen van deze vervreemding voorzien, zoals bijvoorbeeld de methodes van de GPU.’ (De GPU was de geheime politie in het Stalintijdperk, de voorloper van de KGB.)

Zonder de gegrondheid van deze lof op de scherpzinnigheid van de Praagse schrijver in twijfel te willen trekken, wil ik er nochtans aan herinneren dat Kafka in zijn romans geen ‘uitzonderingstoestand’ beschrijft: één van de belangrijkste ideeën – wier verwantschap met het anarchisme vanzelfsprekend is – dat door zijn werk opgeroepen wordt is het vervreemdende en onderdrukkende karakter van de ‘normale’, legale en grondwettelijke staat. Vanaf de eerste regels van Het proces wordt duidelijk gesteld: ‘K. leefde toch in een rechtsstaat, overal heerste vrede, alle wetten werden gehandhaafd, wie durfde hem in zijn woning te overvallen?’ Net zoals zijn vrienden, de Praagse anarchisten, lijkt hij elke staatsvorm, de staat op zich, als een autoritaire en vrijheidsberovende hiërarchie op te vatten.

Functionarissen van de noodzaak

De staat en zijn gerecht zijn ook, door hun diepste wezen, leugensystemen. Niets illustreert dit duidelijker dan de dialoog in Het proces tussen K. en de geestelijke over de interpretatie van de parabel van de bewaker van de wet. Voor de geestelijke betekent ‘twijfelen aan de waardigheid van de bewaker hetzelfde als twijfelen aan de Wet’ – een klassiek argument van alle vertegenwoordigers van de wet. K. werpt op dat als men deze stelregel zou volgen, ‘ men alles zou moeten geloven wat de bewaker zegt’, iets wat hem onmogelijk lijkt te zijn: ‘Neen,’ zegt de geestelijke, ‘men is niet verplicht om alles wat hij zegt voor waar aan te nemen, het volstaat dat men het noodzakelijk acht.’ ‘Een bedroevende opinie,’ zegt K…, ‘zij verheft de leugen tot een regel van de wereld.’

Zoals Hannah Arendt heel juist vaststelt in haar essay over Kafka onthult het vertoog van de geestelijke ‘de geheime theologie van het intieme geloof van de bureaucratie als een geloof in de noodzaak op zich; de bureaucraten zijn in laatste instantie functionarissen van de noodzaak.’

‘Hondse’ onderworpenheid

Ten slotte doen de staat en de rechters minder aan justitiebeleid dan dat zij op jacht gaan naar slachtoffers. In een beeld dat te vergelijken is met dat van de vervanging van de toorts van het Vrijheidsbeeld door een zwaard in Amerika, ziet men in Het proces een doek van de schilder Titorelli dat de Godin van de Rechtvaardigheid voorstelt: wanneer het doek helder verlicht wordt ziet men het veranderen in de Godin van de Jacht. De bureaucratische en rechterlijke hiërarchie bevat een immense organisatie dat volgens Jozef K., het slachtoffer van Het proces, ‘niet enkel omkoopbare bewakers, domme inspecteurs en onderzoeksrechters gebruikt… maar dat nog een hele magistratuur van hoge rang onderhoudt, met zijn onvermijdelijk gevolg van lakeien, klerken, gendarmes en andere bijfiguren, misschien zelf beulen, ik schrik niet terug voor dit woord.’

Met andere woorden: de autoriteit van de staat doodt. Jozef K. zal in het laatste hoofdstuk van het boek de beulen ontmoeten in de figuur van twee functionarissen die hem ter dood brengen – ‘als een hond’.

De ‘hond’ vormt voor Kafka een ethische, zoniet metafysische categorie: zo noemt Kafka iemand die zich gewillig onderwerpt aan de autoriteiten, welke deze ook zijn. De handelaar Block, geknield voor de voeten van de advocaat, is een typisch voorbeeld: ‘Dat was zelfs geen kliënt, dat was de hond van de advocaat. Indien deze hem zou bevelen onder het bed te kruipen en te blaffen alsof hij in een hondenhok zat, dan zou hij dat met genoegen doen.’ De schaamte zou Jozef K. zou (laatste woorden van Het proces): hij zou doodgaan ‘als een hond’, zonder dat hij weerstand bood aan zijn beulen. Dat is ook het geval voor de gevangene van In de strafkolonie, die zelfs geen poging doet te ontsnappen, en die zich gedraagt met een ‘hondse’ onderworpenheid.

De jonge Karl Rossmann in Amerika is het voorbeeld van iemand die probeert – zonder daar ooit in te slagen – zich te verzetten tegen de ‘autoriteiten’. In zijn ogen verworden enkel ‘degenen die zich laten doen’ tot het niveau van de hond. De weigering zich te onderwerpen en te kruipen als een hond is dan ook de eerste stap naar een rechtopstaand leven, naar de vrijheid. Maar de romans van Kafka kennen geen ‘positieve held’ noch toekomstutopie: waar het hen om draait is, op een ironische en luciede wijze, de facies hippocratica (de toestand van ontbinding) van onze tijd aan te tonen.

‘Kafkaiaans’

Het is geen toeval dat het begrip ‘kafkaiaans’ in de omgangstaal opgenomen werd: het verwijst naar een aspect van de maatschappelijke realiteit dat de sociologie of de politieke wetenschappen niet lijken te kennen, maar dat door de libertaire sensibiliteit van Kafka op een prachtige wijze uitgedrukt wordt: de onderdrukkende en absurde aard van de bureaucratische nachtmerrie, de ondoorzichtigheid, het ondoordringbare en onbegrijpelijke karakter van de regels van de staatshiërarchie, zoals die beleefd worden aan de onderkant en de buitenkant – in tegenstelling tot de sociale wetenschappen die zich over het algemeen beperken tot de studie van de bureaucratische machine aan ‘de buitenkant’ of in relatie tot de ‘top’ (de staat, de autoriteiten, de instellingen): zijn ‘functie’ of ‘dysfunctie’, zijn ‘rationele’ of ‘pre-rationele’ aard.

De sociale wetenschappen hebben nog geen begrip voor dit ‘onderdrukkingseffect’ van het verdinglijkte bureaucratische systeem ontwikkeld, iets wat ongetwijfeld één van de meest karakteristieke fenomenen van de moderne maatschappij vormt, en dagelijks ondergaan wordt door miljoenen mannen en vrouwen. Tot het zo ver is zal men deze wezenlijke dimensie van de sociale realiteit blijven benoemen naar het werk van Kafka.

Comments Off
Categories: Uncategorized